ECLI:NL:CRVB:2021:2803

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 oktober 2021
Publicatiedatum
11 november 2021
Zaaknummer
20/1308 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf op opgegeven adres

Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en gaf een adres op als hoofdverblijfplaats. Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven weigerde de bijstand omdat appellant niet aannemelijk kon maken dat hij daadwerkelijk op het opgegeven adres verbleef. Waarnemingen toonden aan dat appellant en zijn auto vaker bij het adres van zijn moeder werden gezien dan bij het opgegeven adres.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres. De inschrijving en postontvangst op dat adres waren niet doorslaggevend. De Raad voegde toe dat de reden van verblijf niet relevant is; het gaat om de feitelijke situatie.

Appellant kreeg later bijstand toegekend op basis van gewijzigde feiten, maar dat deed niet af aan de rechtmatigheid van het eerdere besluit. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.

Uitspraak

20.1308 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 11 maart 2020, 19/1071 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)
Datum uitspraak: 5 oktober 2021
Zitting heeft: F. Hoogendijk
Griffier: J.E. Mink
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.J.A. van de Laar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr A.J. Rijkers.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Op 28 september 2018 heeft appellant zich gemeld voor een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Op 17 oktober 2018 heeft appellant de aanvraag ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant als verblijfadres een adres in [plaatsnaam] (opgegeven adres) vermeld.
2. Een medewerker van de gemeente Eindhoven heeft tweemaal een gesprek met appellant gevoerd. Ook heeft hij gegevens die appellant had verstrekt bekeken en tussen 28 november 2018 en 14 december 2018 waarnemingen verricht op verschillende tijdstippen van de dag bij het adres van de moeder van appellant en bij het opgegeven adres. Bij het merendeel van deze waarnemingen is de auto van appellant bij het adres van de moeder aangetroffen en niet één keer bij het opgegeven adres. De waarnemingen staan in een rapport van 14 december 2018.
3. Bij besluit van 14 december 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 februari 2019 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Hij heeft onjuiste en/of onvolledige informatie verstrekt over zijn woon- en leefsituatie zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Dat oordeel gaat over de periode van 28 september 2018 tot en met 14 december 2018. Het is gebaseerd op het volgende. Appellant heeft aangevoerd dat hij regelmatig bij zijn moeder verbleef om haar te ondersteunen in haar moeilijke situatie en om zijn hond te verzorgen, die bij haar verbleef, en dat hij daar open over is geweest, maar dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Appellant heeft dit laatste volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft zelf tegenover de medewerker van de gemeente verklaard dat hij dagelijks bij zijn moeder komt, daar vaak eet en ook geregeld blijft slapen. Uit de waarnemingen blijkt dat appellant en zijn auto vaak te vinden zijn bij het adres van zijn moeder en nooit bij het opgegeven adres. De verklaring van appellant dat hij voornamelijk op het opgegeven adres sliep is tegenstrijdig met de waarnemingen en daardoor niet geloofwaardig. De inschrijving van appellant op het opgegeven adres en het ontvangen van post op dit adres is, anders dan appellant heeft aangevoerd, niet doorslaggevend om aan te nemen dat hij daadwerkelijk op dat adres verbleef. Bij de beoordeling of iemand recht heeft op een bijstandsuitkering is de vaststelling van de hoofdverblijfplaats een essentieel onderdeel. Bij onduidelijkheid hierover is het recht niet vast te stellen. Dat komt dan voor rekening en risico van de aanvrager.
4. De gronden waarop appellant het met deze uitspraak niet eens is, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Wat hij in hoger beroep heeft aangevoerd is geen reden om de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig te achten. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel berust. Daaraan voegt de Raad nog toe dat, als het om bijstandverlening gaat, de reden waarom iemand hoofdzakelijk op een bepaald adres verblijft – hoe begrijpelijk ook gezien de omstandigheden – niet van betekenis is bij de vraag waar het hoofdverblijf is. Waar dat is moet worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke situatie. Dat appellant later, met ingang van 25 januari 2019, alsnog bijstand toegekend heeft gekregen, is ook niet van betekenis, omdat het college op de zitting heeft uitgelegd dat deze toekenning onder andere is gebaseerd op gewijzigde feiten, zoals het feit dat bij nieuwe waarnemingen de auto van appellant vaker bij het opgegeven adres is waargenomen dan daarvoor.
5. Gelet op het voorgaande is voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J.E. Mink (getekend) F. Hoogendijk