ECLI:NL:CRVB:2021:2806
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van geschiktheid voor EZWb-functies ondanks psychiatrische klachten
Appellante was laatstelijk werkzaam als tuinbouwmedewerker en meldde zich ziek wegens klachten gerelateerd aan een hersentumor. Het UWV stelde bij besluit vast dat zij per 7 augustus 2016 geen recht meer had op ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen in andere functies. Na een nieuwe ziekmelding in december 2017 en medisch onderzoek in maart 2018, werd haar geschiktheid voor ten minste één van de EZWb-functies bevestigd, waarna het recht op ziekengeld werd beëindigd.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat zij geschikt was voor ten minste één van de geselecteerde functies. Appellante bracht in hoger beroep aanvullende psychiatrische rapporten in, waarin werd gesteld dat haar beperkingen niet voldoende waren meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV dat de beperkingen geen reden waren om haar ongeschikt te achten voor de EZWb-functies. De Raad benadrukte dat het van belang was of appellante op 19 maart 2018 in staat was ten minste één functie te vervullen en concludeerde dat dit het geval was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd dat appellante geschikt is voor ten minste één EZWb-functie.