ECLI:NL:CRVB:2021:2807
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als productiemedewerkster en viel uit met rug- en vermoeidheidsklachten. Het UWV weigerde haar per 1 december 2018 een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) passend waren.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen waren onderschat en dat het onderzoek onzorgvuldig was, mede omdat zij zich niet volledig kon uiten uit angst voor betrokkenheid van jeugdzorg. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet, omdat appellante geen nieuwe medische informatie over de datum in geschil had overgelegd en de rapporten van verzekeringsartsen voldoende rekening hielden met haar psychische klachten.
De Raad bevestigde dat het UWV de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd medisch juist had geselecteerd en dat er geen aanleiding was voor nader deskundigenonderzoek. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.