ECLI:NL:CRVB:2021:282
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-verlenging tijdelijke aanstelling ambtenaar ondanks beroep op vaste aanstelling en vertrouwensbeginsel
Appellant was vanaf 1 mei 2017 tijdelijk aangesteld voor één jaar bij de gemeente Brunssum. Na problemen in de samenwerking met collega C werd mediation ingezet, maar de werkrelatie bleef verstoord. Op 11 april 2018 besloot het college de tijdelijke aanstelling niet te verlengen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en tegen een conceptbeoordeling, maar het bezwaar tegen de conceptbeoordeling werd niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet-verlengingsbesluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de tijdelijke aanstelling feitelijk een vaste aanstelling betrof, mede op grond van een vacaturetekst en uitlatingen van een leidinggevende. Dit werd verworpen omdat het aanstellingsbesluit duidelijk een tijdelijke aanstelling betrof en appellant daartegen geen bezwaar had gemaakt, waardoor het besluit rechtsgeldig vaststond.
Verder oordeelde de Raad dat de conceptbeoordeling geen besluit was waartegen bezwaar mogelijk was. Het college had het besluit om niet te verlengen voldoende gemotiveerd, mede op basis van houding en gedrag van appellant en de verstoorde samenwerking. Argumenten over ziekteverzuim, gebrek aan begeleiding en aandeel van collega C in het conflict gaven geen aanleiding tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-verlenging van de tijdelijke aanstelling bevestigd.