ECLI:NL:CRVB:2021:2828
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens arbeidsgeschiktheid voor eigen werk
Appellant, werkzaam als huismeester binnen de Wet sociale werkvoorziening (WSW), meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn eigen werk, rekening houdend met zijn beperkingen zoals vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden-lijst (FML).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de arbeidsdeskundige had vastgesteld dat appellant geschikt was voor zijn laatst verrichte werk, waarbij de WSW-indicatie werd meegenomen. Appellant voerde in hoger beroep aan slechts enkele uren per dag te kunnen werken en vroeg om een onafhankelijk deskundigenonderzoek.
De Raad oordeelde dat de gronden van appellant in essentie een herhaling waren van eerdere bezwaren en onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts stelde dat er geen aanwijzingen waren voor een urenbeperking en de arbeidsdeskundige maakte duidelijk dat bij de WIA-beoordeling geen rekening wordt gehouden met re-integratievoorwaarden. De stelling dat het werk niet passend zou zijn, werd niet onderbouwd. Er was geen reden een deskundige te benoemen.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van een WIA-uitkering bevestigd.