ECLI:NL:CRVB:2021:2829
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens niet-toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijfjaarstermijn
Appellante, voormalig secretaresse, viel in 2009 uit wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV weigerde haar vanaf 2011 een WIA-uitkering toe te kennen omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. In 2014 en 2019 meldde zij toegenomen arbeidsongeschiktheid, maar het UWV wees ook deze aanvragen af, waarbij het bezwaar in 2019 ongegrond werd verklaard vanwege het ontbreken van een toename binnen de wettelijke vijfjaarstermijn na de wachttijd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de vijfjaarstermijn een harde termijn is die uit oogpunt van rechtszekerheid niet kan worden overschreden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat prognoses van verzekeringsartsen uit 2011 en 2014 niet aansluiten bij haar huidige situatie en verwees naar medische informatie over ME/CVS en chronische depressie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend heeft onderbouwd dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen binnen de periode van 24 augustus 2011 tot 24 augustus 2016. De Raad bevestigde dat de wettelijke termijn strikt is en dat redelijkheid en billijkheid geen grond bieden om hiervan af te wijken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen de wettelijke vijfjaarstermijn.