ECLI:NL:CRVB:2021:2830
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling WGA-loonaanvullingsuitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellant, laatstelijk werkzaam als allround operator, meldde zich in 2013 ziek met rug- en nekklachten. Na diverse besluiten van het UWV werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%, later verhoogd naar 80 tot 100% vanaf 6 juni 2019 vanwege een heupprothese.
Appellant stelde dat zijn gezondheid al per 10 januari 2019 was verslechterd en dat hij daarom eerder recht had op de hogere uitkering. Het UWV verklaarde het bezwaar gegrond en stelde de uitkering met ingang van 1 juli 2019 vast. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, ondanks dat het eerste onderzoek zich richtte op de operatie van juni 2019. Het latere onderzoek betrok ook eerdere medische gegevens en concludeerde dat er geen bewijs was voor verslechtering per 10 januari 2019. De bewijslast lag bij appellant, die dit niet aannemelijk maakte.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf 1 juli 2019 recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering van 80 tot 100%.