Appellant ontvangt bijstand als alleenstaande en het college herzag deze bijstand met toepassing van de kostendelersnorm omdat de broer van appellant (X) volgens het college zijn hoofdverblijf bij appellant had. Dit was gebaseerd op een formulier 'Opgave verblijf- en slaapadressen' en een telefonisch gesprek.
Appellant stelde dat X slechts tijdelijk bij hem verbleef, zonder persoonlijke spullen en zonder huissleutel, en dat het formulier en het gesprek onvoldoende bewijs vormden voor het hoofdverblijf. De Raad oordeelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feitelijke omstandigheden, zoals de duur en regelmaat van het verblijf en de locatie van persoonlijke bezittingen.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de eerdere besluiten, en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht. De uitspraak benadrukt dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven bepalend is voor het hoofdverblijf en dat een nachtverblijf alleen niet doorslaggevend is.