ECLI:NL:CRVB:2021:2842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gokactiviteiten appellant
Appellant ontvangt sinds 2012 bijstand en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft bijstand ingetrokken en teruggevorderd over meerdere maanden in 2017 en 2018 vanwege geldopnames bij gokinstellingen. Appellant stelde dat hij zelf niet gokte, maar dat zijn neef de gokactiviteiten verrichtte waarvoor appellant geld opnam en dat de neef het geld terugbetaalde.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en ook in hoger beroep slaagt appellant er niet in aannemelijk te maken dat niet hij maar zijn neef de gokactiviteiten heeft verricht. De Raad stelt vast dat appellant meerdere geldopnames deed bij gokinstellingen en dat de verklaring van de neef onvoldoende feitelijke onderbouwing bevat en bovendien afwijkt van de verklaring van appellant.
Verder heeft appellant geen dringende redenen kunnen aantonen om van terugvordering af te zien. De enkele stelling dat terugvordering leidt tot onaanvaardbare financiële gevolgen is onvoldoende onderbouwd. Het college houdt rekening met de beslagvrije voet bij invordering. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.