Appellante, werkzaam bij een overheidsdienst en sinds 18 juli 2018 volledig arbeidsongeschikt, kreeg meerdere waarschuwingen wegens vermeend niet naleven van afspraken rondom verzuim- en re-integratiebegeleiding. De staatssecretaris zette haar bezoldiging per 2 april 2019 stop, omdat zij niet zou meewerken aan mediation. Appellante maakte bezwaar en het bezwaar werd ongegrond verklaard.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de waarschuwingen geen besluiten zijn en dus niet ontvankelijk kunnen worden verklaard. De Raad stelt vast dat appellante wel degelijk wilde meewerken aan mediation, mits een mediator van buiten de organisatie werd ingezet. De mediationpogingen faalden echter omdat een interne mediator werd ingeschakeld en er onvoldoende communicatie was.
De Raad concludeert dat de directe aanleiding voor de stopzetting van de bezoldiging is komen te vervallen en dat er onvoldoende feitelijke grondslag was voor het besluit. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en herroept de besluiten van 7 mei en 7 juni 2019. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.