ECLI:NL:CRVB:2021:2859

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 november 2021
Publicatiedatum
19 november 2021
Zaaknummer
20/1258 PW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awbartikel 3 Wrakingsregeling
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens termijnoverschrijding en niet betalen griffierecht

Appellant diende een hogerberoepschrift in na de uiterste termijn van 4 september 2019, namelijk op 18 februari 2020, en betaalde het griffierecht niet. De Raad verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk zonder zitting. Appellant maakte hiertegen verzet en stuurde omvangrijke stukken, maar gaf geen feiten of omstandigheden die de vormverzuimen konden rechtvaardigen of aantonen dat de eerdere uitspraak onjuist was.

Tijdens de zitting van 2 juli 2021 nam appellant telefonisch deel en verzocht om wraking van de behandelend rechter, wat werd afgewezen. Een tweede wrakingsverzoek op 7 oktober 2021 werd eveneens niet in behandeling genomen. De verzetzitting op 8 oktober 2021 vond plaats zonder aanwezigheid van partijen.

De Raad oordeelde dat het verzet ongegrond was omdat appellant geen geldige gronden aanvoerde om de niet-ontvankelijkverklaring te betwisten. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 19 november 2021 in het openbaar gedaan door rechter J.C. Boeree.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 november 2021
20/1258 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 juli 2019, 19/613 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk (college)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak op 19 januari 2019 niet-ontvankelijk verklaard. De Raad heeft die beslissing genomen zonder een zitting te houden op grond van de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Appellant is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring en heeft verzet ingediend.
Het verzet is behandeld op de zitting van 2 juli 2021. Appellant heeft door middel van een telefonische verbinding aan de zitting deelgenomen. Namens het college is niemand verschenen. Op de zitting heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechter J.C. Boeree. De behandelend rechter heeft te kennen gegeven niet te berusten in de wraking.
Bij uitspraak van 19 augustus 2021 van de wrakingskamer is beslist dat het verzoek om wraking niet in behandeling zal worden genomen en bepaald dat een volgend verzoek om wraking ook niet in behandeling zal worden genomen. Op grond van artikel 3, lid 2, aanhef en onder c en f van de Wrakingsregeling kon zonder zitting worden beslist
Bij brief van 7 oktober 2021 heeft appellant wederom verzocht om wraking. Bij brief van dezelfde datum heeft de Raad onder verwijzing naar de uitspraak van 19 augustus 2021 appellant te kennen gegeven dat het verzoek niet zal worden voorgelegd aan de wrakingkamer en de zitting op 8 oktober 2021 zal doorgaan.
Het verzet is ter zitting van 8 oktober 2021 behandeld. Partijen zijn niet verschenen

OVERWEGINGEN

De Raad heeft het hoger beroep van appellant in de uitspraak van 19 januari 2021
niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald en het hoger beroep niet tijdig is ingediend.
De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend was 4 september 2019. Het hogerberoepschrift is op 18 februari 2020 bij de rechtbank ontvangen en vervolgens naar de Raad doorgezonden. De termijn voor het indienen van hoger beroep is daarmee overschreden.
In verzet stuurt appellant omvangrijke stukken naar de Raad. In deze stukken gaat appellant niet in op feiten of omstandigheden die de vormverzuimen van het niet betalen van het griffierecht en het niet tijdig indienen van het hoger beroep rechtvaardigen en geeft hij ook geen redenen aan, waaruit blijkt dat de uitspraak van 19 januari 2021 niet op de juiste gronden is gedaan.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van B. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2021.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) B. van Dijk