Uitspraak
20 2698 ZW
29 juni 2020, 19/6154 (aangevallen uitspraak)
PROCESVERLOOP
M.M.J. Budel, die middels videobellen aan de zitting heeft deelgenomen.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als archiefmedewerker en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 11 juni 2019 omdat zij geschikt werd geacht voor haar eigen werk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en het oordeel van de verzekeringsarts overtuigend.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen door fibromyalgie en artrose zwaarder waren dan aangenomen en dat zij het werk vanwege repetitieve handelingen niet kon verrichten. Zij verzocht om benoeming van een deskundige. De Raad volgde het UWV en de rechtbank, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het werk als archiefmedewerker licht fysiek werk betreft met veel regelmogelijkheden.
De Raad zag geen aanleiding af te wijken van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, mede omdat appellante onvoldoende medische informatie aanleverde om twijfel te rechtvaardigen. Het verzoek tot benoeming van een deskundige werd afgewezen. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV wordt bevestigd dat appellante geschikt is voor haar werk als archiefmedewerker.