ECLI:NL:CRVB:2021:2875
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als schoonmaakster en medewerker postkamer, ontving sinds 2008 een WGA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling in 2018 stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder 35%, waarop de uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar en kreeg deels gelijk, waarna het UWV een nieuw besluit nam met een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een nieuwe beoordeling van arbeidsongeschiktheid van 17,34%, wat opnieuw leidde tot beëindiging van de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medische oordeel en de motivering van het UWV voldoende waren. In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom haar beperkingen waren verminderd ondanks ongewijzigde klachten en dat de urenbeperking ten onrechte was aangepast. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV niet verplicht is elke afwijking van eerdere beoordelingen te motiveren en dat een gewijzigd inzicht een toereikende grondslag kan vormen mits zorgvuldig en deugdelijk onderbouwd.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de medische en arbeidskundige motivering voldoende was. De verschuiving van beperkingen binnen de FML werd adequaat toegelicht en de urenbeperking was gebaseerd op een juiste inschatting van de energetische belastbaarheid en recuperatiebehoefte. De geselecteerde functies waren passend en de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-uitkering van appellante terecht is beëindigd na een zorgvuldige herbeoordeling.