ECLI:NL:CRVB:2021:29
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loongerelateerde WGA-uitkering en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellant, werkzaam als medewerker schoonmaak, meldde zich ziek in oktober 2013 en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde aanvankelijk een uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar en beroep werd een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 45,88%. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en vernietigde het tweede besluit vanwege onvoldoende motivering van het opleidingsniveau.
In hoger beroep stelde het UWV een nieuwe beslissing vast waarin appellant een loongerelateerde WGA-uitkering met 100% arbeidsongeschiktheid kreeg toegekend, maar appellant voerde aan dat zijn beperkingen duurzaam waren en hij recht had op een IVA-uitkering. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen niet duurzaam waren en dat appellant geen recht had op een IVA-uitkering.
Verder oordeelde de Raad dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden met ruim een jaar, waardoor appellant recht had op een schadevergoeding van €1.500,-. De Staat werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten van €262,50. Het hoger beroep werd verder ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.