ECLI:NL:CRVB:2021:2949
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Terugvordering teveel betaalde verzorgingskosten op grond van de Wuv
Betrokkene, nabestaande van een erkende vervolgde, ontving een vergoeding voor verzorgingskosten op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Na haar overlijden vorderde de Sociale Verzekeringsbank (verweerder) een bedrag van circa NIS 29.911,13 terug dat te veel was uitgekeerd over de jaren 2015 en 2016. Dit teveel was ontstaan doordat het verzorgingshuis een hogere pensionprijs had gedeclareerd aan verweerder dan daadwerkelijk aan betrokkene in rekening was gebracht.
Appellanten, erfgenamen van betrokkene, stelden dat verweerder onvoldoende had onderbouwd hoe het teruggevorderde bedrag was berekend en betwistten het bestaan van een teveel betaalde vergoeding. De Raad oordeelde dat verweerder de berekening voldoende had onderbouwd aan de hand van overzichten van gemaakte kosten en facturen van het verzorgingshuis, en dat de betaling van voorschotten en de definitieve vaststelling van de vergoeding volgens de wettelijke regels correct waren verlopen.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig was en dat het beroep ongegrond moest worden verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van te veel betaalde verzorgingskosten wordt ongegrond verklaard.