ECLI:NL:CRVB:2021:2982

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 november 2021
Publicatiedatum
1 december 2021
Zaaknummer
19/4934 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtArt. 8 Besluit tarieven in strafzaken 2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep tegen UWV-beslissing WIA

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV inzake de WIA. Het UWV nam op 23 april 2021 een gewijzigde beslissing op bezwaar waarbij het volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante. Vervolgens trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad om het UWV te veroordelen in de proceskosten.

De Raad stelde vast dat het UWV reeds de kosten in de bezwaarfase had vergoed en moest nu oordelen over de kosten in beroep en hoger beroep. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten die appellante redelijkerwijs had moeten maken, inclusief kosten voor rechtsbijstand en een deskundige.

De totale proceskostenvergoeding bedroeg €4.014,71, bestaande uit kosten voor het indienen van het beroepschrift, het verschijnen ter zitting, het indienen van het hoger beroepschrift en de deskundigenkosten. Vergoeding van het griffierecht moest appellante rechtstreeks bij het UWV claimen.

De uitspraak werd gedaan door J.P.M. Zeijen op 29 november 2021.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot betaling van €4.014,71 aan proceskosten aan appellante na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Datum uitspraak: 29 november 2021
19/4934 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 oktober 2019, 19/372 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam] hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 23 april 2021 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 11 mei 2021 heeft [naam] namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruikgemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 23 april 2021 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Aangezien het Uwv reeds heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase, moet de Raad nog slechts oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte
kosten.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.496,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 748,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift) voor verleende rechtsbijstand. Ook komen voor vergoeding in aanmerking de kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken voor een deskundige. De deskundige heeft € 1.770,71 (inclusief 21% BTW) voor twaalf uur aan werkzaamheden gefactureerd. Aangezien het in rekening gebrachte uurtarief het volgens artikel 8 van Pro het Besluit tarieven in strafzaken 2003 geldende tarief niet overstijgt, komen deze kosten geheel voor vergoeding in aanmerking.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.014,71.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2021.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) E.X.R. Yi