ECLI:NL:CRVB:2021:2983
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als beheerder bij een gemeenschapshuis en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV stelde op basis van een functionele mogelijkhedenlijst en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV de belastbaarheid van appellant zorgvuldig had ingeschat.
In hoger beroep voerde appellant aan dat door zijn autisme spectrum stoornis en dwangmatige trekken een preventieve urenbeperking had moeten worden aangenomen, omdat hij bij meer dan 18 uur per week zou overbelasten. De Centrale Raad van Beroep volgde appellant niet en stelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende had gemotiveerd dat een urenbeperking niet aan de orde was, mede omdat appellant sinds enkele maanden 18 uur per week aangepast werk verricht zonder overbelasting.
De Raad bevestigde tevens dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsberekening was gebaseerd medisch geschikt zijn voor appellant. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.