ECLI:NL:CRVB:2021:2985
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld na medisch onderzoek door UWV
Appellante was werkzaam als cateringmedewerkster en meldde zich ziek met spanningsklachten en voetklachten. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar stelde bij meerdere besluiten vast dat zij geschikt was voor andere functies en daarom geen recht meer had op ziekengeld. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde haar beroepen ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar lichamelijke en psychische klachten haar volledig arbeidsongeschikt maakten. Zij onderbouwde dit echter niet met nieuwe medische gegevens. De Raad overwoog dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische stukken geen aanleiding gaven het oordeel te wijzigen.
De Raad bevestigde dat het recht op ziekengeld volgens de Ziektewet geldt bij ongeschiktheid voor de laatst verrichte arbeid, maar na 52 weken geldt als maatstaf de geschiktheid voor gangbare arbeid, zoals nader geconcretiseerd in de EZWb. Omdat appellante geschikt werd geacht voor ten minste één van de geselecteerde functies, is het recht op ziekengeld vervallen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld vervalt omdat appellante geschikt is voor ten minste één van de geselecteerde functies.