ECLI:NL:CRVB:2021:3010

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 december 2021
Publicatiedatum
3 december 2021
Zaaknummer
20/231 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:108 AwbArt. 6:119 BWArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding en wettelijke rente na intrekking hoger beroep in socialezekerheidszaak

In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV, maar dit hoger beroep later ingetrokken nadat het UWV haar bezwaren gedeeltelijk had ingewilligd met een gewijzigde beslissing op bezwaar. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde vervolgens het verzoek tot proceskostenvergoeding en schadevergoeding.

De Raad oordeelde dat het UWV de proceskosten van appellante voor de beroepsfase en het hoger beroep moet vergoeden, waarbij een bedrag van €4.879,71 werd vastgesteld. Dit bedrag omvat kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand en deskundigenkosten, waarbij administratiekosten niet voor vergoeding in aanmerking kwamen. Daarnaast werd de wettelijke rente toegekend over de vertraagde uitbetaling van ziekengeld, conform artikel 6:119 BW Pro.

Het verzoek om vergoeding van materiële en immateriële schade werd afgewezen, omdat appellante dit niet concreet had onderbouwd met bewijs van geleden schade of geestelijk letsel. Vergoeding van griffierecht werd niet toegekend, maar appellante kon dit rechtstreeks bij het UWV claimen.

De uitspraak werd gedaan door rechter E.J.J.M. Weyers en uitgesproken op 1 december 2021. De Raad sloot het onderzoek zonder zitting af met toestemming van partijen.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €4.879,71 aan proceskosten en wettelijke rente, het overige schadevergoedingsverzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

20.231 ZW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a, 8:88 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
19 december 2019, 18/3019 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 december 2021
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. Bijlsma hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft een psychiatrisch expertiserapport van 3 april 2020 ingebracht, opgesteld door I.S. Hernandez-Dwarkasing, psychiater.
Het Uwv heeft op 21 oktober 2020 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 11 december 2020 heeft appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van de door haar geleden materiële en immateriële schade.
Het Uwv heeft op 18 februari 2021 verweer gevoerd. Bij brief van 15 maart 2021 heeft appellante hierop gereageerd. Het Uwv heeft op 7 mei 2021 nader verweer gevoerd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Proceskostenvergoeding
1.1.
In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
1.2.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 21 oktober 2020 aan haar bezwaren is tegemoetgekomen.
1.3.
Aangezien het Uwv de gemaakte kosten in de bezwaarfase inmiddels heeft vergoed, moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
1.4.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 1.496,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en
€ 748,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift). De kosten van het inwinnen van inlichtingen bij de behandelende sector ter hoogte van € 39,51 (huisarts) en
€ 45,- (fysiotherapeut) komen op grond van artikel 1, sub b, van het Bpb voor vergoeding in aanmerking.
1.5.
Voor de werkzaamheden van Medisch Advies Groep (MAG) heeft appellante verzocht om vergoeding van € 2.338,95 (€ 496,23 + € 424,27 + € 332,48 + € 651,96 + € 434,01). Naar het oordeel van de Raad komen deze kosten gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking. De kostenvergoeding voor de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, wordt berekend conform het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts). Daarbij geldt een maximaal uurtarief van respectievelijk € 122,63 (2018), € 126,47 (2019) en € 129,63 (2020) en dient er afgerond te worden op hele en halve uren. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat de op de facturen van de MAG genoemde administratiekosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De werkzaamheden ten behoeve van ‘aanpassen expertiseaanvraag door medisch adviseur’ op de factuur van 6 mei 2020 houden verband met de rapportage zelf en kunnen daarom – anders dan het Uwv heeft betoogd – worden meegenomen. De door het Uwv te vergoeden proceskosten voor de ingeschakelde medisch adviseur van MAG bedragen daarmee € 941,76 bestaande uit:
- factuurnummer 18703391 d.d. 16-10-2018: 80 minuten x € 122,63 = € 183,95
- factuurnummer 18703749 d.d. 16-11-2018: 70 minuten x € 122,63 = € 183,95
- factuurnummer 19700327 d.d. 22-01-2019: 55 minuten x € 126,47 = € 126,47
- factuurnummer 19701249 d.d. 07-08-2019: 120 minuten x € 126,47 = € 252,94
- factuurnummer 20701236 d.d. 06-05-2020: 65 minuten x € 129,63 = € 194,45
1.6.
Voor de werkzaamheden van WPEX heeft appellante verzocht om vergoeding van
€ 3.327,50. De op de specificatie van de factuur genoemde administratiekosten van € 105,- komen niet voor vergoeding in aanmerking. De werkzaamheden ten behoeve van ‘inzage en correctierecht’ houden verband met de rapportage zelf en kunnen daarom – anders dan het Uwv heeft betoogd – worden meegenomen. Uit de specificatie kan niet worden afgeleid in hoeverre de werkzaamheden die de psychiater heeft verricht ten behoeve van ‘voorbereiding onderzoek’ (4,5 uur) verband houden met de rapportage zelf. De Raad acht een vergoeding van de kosten voor 2 uur voorbereidende werkzaamheden redelijk. De door het Uwv te vergoeden proceskosten voor de ingeschakelde psychiater van WPEX bedragen daarmee:
9 uur x € 129,63 = € 1.166,67.
1.7.
Op grond van artikel 15 van Pro het Bts worden de in 1.5 en 1.6 genoemde totaalbedragen verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd. De vergoeding voor deskundigenkosten bedraagt daarmee: € 1.139,53 + € 1.411,67 = € 2.551,20
1.8.
De totale proceskostenveroordeling, bestaande uit kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en deskundigenkosten, bedraagt € 4.879,71.
Schadevergoeding
2.1.
Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (zie onder meer de uitspraken van 11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2317 en 25 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1644). Artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest.
2.2.
De kosten die appellante heeft aangevoerd zijn kosten, die in beginsel zijn terug te voeren op vertraagde uitbetaling van ziekengeld, waarvoor de wettelijke rente kan worden toegekend. Dit betekent dat er in dit geval geen plaats is voor zelfstandige vergoeding van de door appellante gestelde kosten in verband met de vertraagde uitbetaling van ziekengeld. Overigens blijkt uit de ter onderbouwing van het schadeverzoek overgelegde stukken niet dat door appellante materiële schade is geleden. Evenmin heeft appellante met concrete gegevens aangetoond dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen als (onder meer) bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom slechts voor wat betreft de vergoeding van wettelijke rente worden toegewezen. Voor de berekeningswijze van de wettelijke rente wordt verwezen naar de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.
Griffierecht
3. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.879,71;
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellante van de wettelijke rente zoals onder 2.2 van deze uitspraak is vermeld;
- wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van J.J. Vorias als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2021.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) J.J.C. Vorias