ECLI:NL:CRVB:2021:3054
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WIA- en Ziektewet-uitkering na medische en arbeidskundige onderzoeken
Appellante, werkzaam geweest als verkoopster en schoonmaakster, heeft na ziekte door een auto-ongeval een WIA-uitkering aangevraagd die door het UWV is geweigerd vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
Na bezwaar en beroep oordeelde de rechtbank dat het UWV een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek had verricht en dat de beperkingen van appellante, met name aan handen en vingers, niet zodanig waren dat zij niet geschikt was voor de geduide functies.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen niet juist waren vastgesteld, met name op basis van een rapport van een medisch adviseur. De Raad volgde het UWV en de rechtbank en concludeerde dat er onvoldoende medische onderbouwing was voor zwaardere beperkingen op de datum in geding.
Ook met betrekking tot de Ziektewet-uitkering oordeelde de Raad dat appellante geschikt was voor ten minste één van de functies, waardoor het recht op ziekengeld niet bestond.
Het verzoek tot benoeming van een onafhankelijk deskundige werd afgewezen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op WIA- en Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voor passende functies.