Appellant, exploitant van een eenmanszaak, heeft meerdere keren bijstand aangevraagd voor de kosten van bedrijfskapitaal op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). Het college heeft deze aanvragen afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een liquiditeitsprobleem heeft, zoals vereist in artikel 10, eerste lid, van de Tozo.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en wees de beroepen tegen de bestreden besluiten af. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het college en de Regionale Organisatie Zelfstandigen (ROZ) niet bevoegd waren om te beslissen en dat hij wel aan de voorwaarden voor bijstand voldoet, onder meer vanwege bedrijfslasten zoals huisvestingskosten en investeringen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de besluiten onbevoegd zijn genomen door de manager van ROZ, maar dat dit bevoegdheidsgebrek kan worden hersteld. De Raad stelt vast dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat hij door de coronacrisis onvoldoende direct beschikbare geldmiddelen heeft om aan de financiële verplichtingen van zijn bedrijf te voldoen. De door appellant opgevoerde kosten zijn betaald of betreffen investeringen die geen lopende verplichtingen zijn.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd, met vergoeding van het betaalde griffierecht aan appellant.