ECLI:NL:CRVB:2021:3074
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als agrarisch medewerkster, meldde zich in februari 2017 ziek met spanningsklachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen met ingang van februari 2019. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat rapporten uit 2018 en 2019 aantoonden dat zij volledig arbeidsongeschikt was en dat er geen benutbare arbeidsmogelijkheden waren. De Raad oordeelde echter dat deze gronden reeds door de rechtbank waren beoordeeld en verworpen. Tevens wees de Raad op het verschil in beoordelingskaders tussen re-integratie en WIA-toetsing.
De Raad bevestigde dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante niet volledig arbeidsongeschikt is, mede omdat zij niet voldeed aan de limitatief genoemde situaties waarin geen benutbare mogelijkheden bestaan. De Raad onderschreef het oordeel dat regulier werk onder juiste voorwaarden weer mogelijk is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellante een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.