ECLI:NL:CRVB:2021:3084
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, woonachtig in Duitsland, heeft een WIA-uitkering aangevraagd wegens vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds 12 oktober 2016. Het UWV heeft deze aanvraag geweigerd omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep als zorgvuldig en juist beoordeelde.
Appellant stelde in hoger beroep dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat onvoldoende rekening was gehouden met een rapport van zijn huisarts, die meer beperkingen aannam. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat het rapport van de huisarts voornamelijk gebaseerd was op subjectieve klachten en niet consistent was met Duitse medische rapporten. Er was geen medisch objectieve onderbouwing voor verdere beperkingen en geen aanleiding om een deskundige te benoemen.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het arbeidsongeschiktheidspercentage op minder dan 35% heeft vastgesteld en daarom de WIA-uitkering heeft geweigerd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.