ECLI:NL:CRVB:2021:309
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beëindiging Ziektewetuitkering wegens vermeende verdiencapaciteit
Appellante was commercieel medewerker en meldde zich ziek op 19 augustus 2013. Zij ontving een Ziektewetuitkering die na een eerstejaarsbeoordeling werd voortgezet. Op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 januari 2015 concludeerde het Uwv dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde de uitkering per 27 februari 2015. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de beperkingen niet juist waren vastgesteld. De Raad schakelde een onafhankelijke deskundige in die concludeerde dat appellante meer beperkingen had dan vermeld in de FML van januari 2015 en dat zij niet in staat was de geselecteerde functies te verrichten. Het Uwv erkende dit in latere rapporten. De Raad volgde het advies van de deskundige en oordeelde dat de uitkering ten onrechte was beëindigd.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het primaire besluit van 26 januari 2015 en besloot zelf het beroep gegrond te verklaren. Tevens werd de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn en werd het Uwv en de Staat veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt herroepen en de Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.