ECLI:NL:CRVB:2021:3099

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 december 2021
Publicatiedatum
13 december 2021
Zaaknummer
20/3058 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van WIA-uitkeringsbesluit na zorgvuldige medische beoordeling

Appellant is sinds januari 2017 wegens lichamelijke klachten arbeidsongeschikt als betonmonteur. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het UWV vastgesteld dat appellant voor 35 tot 80% arbeidsongeschikt is en een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat er meer beperkingen moesten worden aangenomen en dat hij in aanmerking kwam voor een IVA-uitkering. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).

In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe medische gegevens aangeleverd die tot een ander oordeel leiden. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de motivering van de rechtbank en volgt het oordeel dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidspercentage is gebaseerd medisch geschikt zijn voor appellant.

Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

20 3058 WIA

Datum uitspraak: 9 december 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
22 juli 2020, 19/6164 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. van Daalhuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is op 10 januari 2017 wegens lichamelijke klachten uitgevallen voor zijn werk als betonmonteur voor 40 uur per week. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant op 16 november 2018 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 november 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatstelijk verrichte werk en vervolgens functies geselecteerd. Op basis van de functies productiemedewerker (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), inpakker (handmatig) (SBC-code 111190) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010) met de hoogste lonen is de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 72,19%. Bij besluit van 6 december 2018 heeft het Uwv appellant met ingang van 8 januari 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, omdat hij met ingang van die datum 35 tot 80% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 december 2018 heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 24 oktober 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML aangepast. Op grond van de aangepaste FML van 30 september 2019 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de oorspronkelijke functies opnieuw beoordeeld, deze nog steeds passend geacht voor appellant en vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd is gebleven.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Samengevat heeft de rechtbank in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om te concluderen dat appellant meer beperkt is dan in de FML door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vastgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt dat er geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden omdat appellant niet voldoet aan één van de uitzonderingscriteria neergelegd in het Schattingsbesluit. Uit de analyse van de psychiater is gebleken van een depressieve stoornis. Gelet hierop is appellant aangewezen op mentaal relatief licht belastende arbeid zonder veelvuldige deadlines, conflicthantering of leidinggevende taken. Hiermee is rekening gehouden in de FML van 30 september 2019. Voorts is met het aannemen van beperkingen in statische en dynamische belastbaarheid rekening gehouden met de klachten aan het bewegingsapparaat en de intern medische problematiek. Opname en behandeling in het kader van de nierproblemen en TBC zijn van na de datum in geding. Uitgaande van de juistheid van de beperkingen beschreven in de FML van 30 september 2019, heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt, zodat deze functies voor appellant geschikt zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 16 oktober 2019, en het daarbij behorende Resultaat Functiebeoordeling, de geschiktheid van de geduide functies voldoende toegelicht aan de hand van de door het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem gesignaleerde items die een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid aangeven.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen dan de vastgestelde beperkingen na herbeoordeling in bezwaar. Appellant komt in aanmerking voor een IVA-uitkering.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht per 8 januari 2019 heeft vastgesteld op 35-80%.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgelegde belastbaarheid van appellant. De rechtbank heeft op overtuigende wijze gemotiveerd waarom die aanleiding niet is gezien. De overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd, worden geheel onderschreven. Appellant heeft ook in hoger beroep geen nieuwe medische gegevevens overgelegd die aanleiding zouden geven tot een andersluidend oordeel. Verder wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.
4.4.
Uit 4.2 en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2021.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) L. Winters