ECLI:NL:CRVB:2021:3116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als koerier, meldde zich ziek met rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunten dat het UWV onzorgvuldig handelde door geen aanvullende medische informatie bij de behandelend sector op te vragen en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onjuist was opgesteld zonder duurbeperking. Tevens verzocht hij om een onafhankelijke deskundige.
De Raad volgde appellant niet en onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts mocht op eigen oordeel varen omdat appellant ten tijde van het onderzoek niet onder behandeling was. Het behandelplan van Mentaal Beter en andere stukken werden betrokken bij de beoordeling. De Raad vond de motivering van het UWV over de FML en het ontbreken van een duurbeperking voldoende onderbouwd. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees de vordering van appellant af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.