ECLI:NL:CRVB:2021:312
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens laattijdige aanvraag en onvoldoende objectief bewijs arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering, die door het UWV op 6 februari 2018 werd afgewezen. Het bezwaar werd op 28 januari 2019 ongegrond verklaard omdat niet objectief kon worden vastgesteld dat appellant sinds 29 oktober 1998 onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond vanwege een laattijdige aanvraag en het ontbreken van medisch objectiveerbare stukken.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen en overhandigde medische stukken waaruit diabetes mellitus en psychische klachten blijken. De Raad concludeerde dat deze stukken geen nieuw licht werpen op de eerdere beoordeling en volgde het oordeel van de rechtbank. Tevens werd vastgesteld dat appellant per 19 maart 1999 hersteld was verklaard en dat over de periode daarna uit zorgvuldigheid ziekengeld is uitbetaald.
Het hoger beroep slaagt niet en de Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WAO-uitkering wordt bevestigd.