Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2021:3161

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 december 2021
Publicatiedatum
14 december 2021
Zaaknummer
19/4867 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 PWArt. 51 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening voor duurzame gebruiksgoederen

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor het opnieuw inrichten van zijn woning na een echtscheiding. Het college kende deze bijstand toe als geldlening, omdat appellant volgens het beleid niet voldeed aan de voorwaarde dat hij ten minste drie jaar op bijstandsniveau moest leven om bijstand om niet te ontvangen.

Appellant betwistte dit en stelde dat zijn verblijf in Afghanistan meetelde voor de referteperiode, omdat hij daar zonder eigen inkomen leefde. Hij overhandigde verklaringen van familieleden en een wijkafgevaardigde ter onderbouwing.

De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in Afghanistan op bijstandsniveau leefde, omdat de verklaringen niet objectief en verifieerbaar waren en niet over de relevante periode gingen. Het college had daarom terecht gebruikgemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid om de bijstand als lening te verstrekken.

De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De bijzondere bijstand wordt terecht toegekend in de vorm van een geldlening omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij drie jaar op bijstandsniveau leefde.

Uitspraak

19/4867 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
24 oktober 2019, 19/1278 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)
Datum uitspraak: 14 december 2021
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.T. Lamers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lamers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. E. Leenders, advocaat.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant verbleef in de periode van 11 december 2013 tot 26 juni 2016 in Afghanistan. Hiervoor woonde appellant vanaf 11 november 2005 met zijn toenmalige echtgenote en met zijn kinderen in de gemeente [woonplaats] . Met ingang van 26 juni 2016 ontvangt appellant bijstand op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Op 23 juli 2018 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van het opnieuw moeten inrichten van zijn woning na een echtscheiding.
1.3.
Bij besluit van 24 oktober 2018 heeft het college bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een lening ten bedrage van € 2.824,-.
1.4.
Bij besluit van 20 februari 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 2018, gericht tegen de vorm van de bijstand, ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant aan de beleidsregels geen aanspraak kan ontlenen voor bijstandverlening om niet, omdat in het geval van appellant de periode die is verstreken sinds zijn terugkeer uit Afghanistan minder dan drie jaar beslaat, zodat hij nog niet drie jaar op bijstandsniveau leeft. De periode van zijn verblijf in Afghanistan kan volgens het college niet meetellen, omdat het bij gebrek aan voldoende objectieve verifieerbare en controleerbare bronnen onmogelijk is om de hoogte van het inkomen van appellant in Afghanistan vast te stellen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Niet in geschil is dat de toegekende bijzondere bijstand betrekking heeft op noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen. Zoals ter zitting besproken is tussen partijen uitsluitend in geschil of het college in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken om de bijzondere bijstand voor deze kosten in de vorm van een geldlening te verstrekken.
4.2.
Op grond van artikel 48, eerste lid, van de PW wordt bijstand om niet verleend, tenzij in deze wet anders is bepaald. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de PW, kan bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet.
4.3.
Het college komt een discretionaire bevoegdheid toe bij de beoordeling van de vraag of voor de onderhavige kosten bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening of om niet wordt verstrekt. In de Memorie van Toelichting bij artikel 51 van Pro de Wet Werk en Bijstand, thans PW, (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 74-75) is opgemerkt dat het voor de hand ligt bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening te verlenen, indien men uit de algemene bijstand niet heeft kunnen reserveren voor de vervanging van een duurzaam gebruiksgoed.
4.4.
Het college hanteert volgens de Beleidsregels inkomensondersteuning Participatiewet 2018 (beleid) bij de toepassing van artikel 51 van Pro de PW, voor zover van belang, het volgende beleid.
- Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt als uitgangspunt verstrekt in de vorm van een geldlening, maar kan onder omstandigheden ook om niet verstrekt worden.
- Bijstand wordt om niet verleend als belanghebbende direct voorafgaand aan de aanvraag bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen reeds tenminste 3 jaar is aangewezen op een inkomen op bijstandsniveau.
4.5.
Ter zitting bij de rechtbank heeft het college toegelicht dat in het beleid weliswaar niet de eis is gesteld dat een belanghebbende gedurende de gehele referteperiode in Nederland moet hebben verbleven om voor verlening van bijzondere bijstand om niet in aanmerking te komen, maar dat hij zijn beleid wel op die manier uitlegt.
4.6.
Appellant heeft aangevoerd dat de door het college ter zitting bij de rechtbank gestelde nadere voorwaarde in strijd is met de tekst van het beleid. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij op grond van het onder 4.4 genoemde beleid recht heeft op bijzondere bijstand om niet, aangezien hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de referteperiode, ook voor zover hij in die periode in Afghanistan verbleef, was aangewezen op een inkomen op of onder bijstandsniveau. Appellant verbleef in Afghanistan om zijn inmiddels overleden moeder tijdens haar ziekte te verzorgen. Hij leefde toen op kosten van zijn familie. Van het hebben van eigen inkomsten was in die periode geen sprake. Appellant heeft in dat verband verwezen naar twee bij zijn aanvraag overgelegde verklaringen van familieleden en een door hem in beroep overgelegde verklaring van april 2019 van de wijkafgevaardigde van [regio] nummer [nummer] , gelegen in de stad [stad] , Afghanistan.
4.7.
Deze beroepsgronden slagen niet. Dat is alleen al het geval omdat appellant, anders dan hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gedurende zijn verblijf in Afghanistan was aangewezen op een inkomen op ten hoogste bijstandsniveau. Dit volgt niet uit de verklaringen van de twee familieleden. Deze verklaringen hebben betrekking op het jaar 2018 en zien dus niet op de voor dit geding relevante periode van verblijf in Afghanistan in 2016. Aan enkel de verklaring van de wijkafgevaardigde kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Uit deze verklaring blijkt niet wat de redenen van wetenschap van de wijkafgevaardigde zijn. Het is namelijk niet duidelijk of de verklaring berust op eigen waarnemingen of onderzoek van de wijkafgevaardigde. Bovendien wordt deze verklaring niet met objectieve en verifieerbare gegevens ondersteund.
4.8.
Dit betekent dat aan bespreking van de vraag, of de door het college gestelde nadere voorwaarde bedoeld in 4.5 in strijd is met de tekst van het beleid, niet wordt toegekomen.
4.9.
Uit 4.7 en 4.8 volgt dat het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de bijstand in de vorm van een geldlening toe te kennen. Op grond van artikel 51, tweede lid, van de PW stemt het college de aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van appellant.
4.10.
Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.M.P. Jacobs, in tegenwoordigheid van Y. Al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2021.
(getekend) K.M.P. Jacobs
(getekend) Y. Al-Qaq