ECLI:NL:CRVB:2021:319
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam geweest als koerier, viel uit wegens whiplashklachten en andere aandoeningen. Het UWV stelde zijn arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 35%, waarna de WIA-uitkering werd beëindigd. Appellant voerde bezwaar en beroep aan tegen deze vaststelling, stellende dat de medische en arbeidskundige grondslagen onjuist waren en dat het maatmanloon verkeerd was berekend.
De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat de berekening van het maatmanloon en de medische beperkingen juist waren vastgesteld. Appellant stelde in hoger beroep dat hij door het maken van bezwaar in een slechtere positie was gekomen (reformatio in peius), maar dit werd verworpen omdat het UWV ook zelfstandig bevoegd is om de uitkering te herzien.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en bevestigt dat het UWV de uitkering terecht heeft beëindigd per 10 oktober 2017. Er is geen aanleiding voor een andere beslissing en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 10 oktober 2017 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.