1.4.Bij besluit van 15 januari 2019 (bestreden besluit) heeft de minister het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In de bezwaarfase zijn appellant en de minister overeengekomen dat appellant alleen een wijziging van de gehanteerde ontslaggrond wil bewerkstelligen. Appellant is van mening dat hij niet vanwege wangedrag maar wegens blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de dienst vanwege een ziekte of een gebrek had moeten worden ontslagen. De minister heeft het verzoek van 22 december 2017, met instemming van appellant, daarom opgevat als een verzoek om terug te komen van het ontslagbesluit van 27 januari 2009. Omdat er geen sprake is van een nieuw gebleken feit en/of een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de minister het verzoek niet ingewilligd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een nieuw gebleken feit en/of veranderde omstandigheid die betrekking heeft op de inhoud van het ontslagbesluit. Immers, het enkele feit dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft vastgesteld dat er geen duurzaam benutbare mogelijkheden meer zijn voor appellant, kan er niet toe leiden dat het ontslag wegens wangedrag onrechtmatig moet worden geacht, omdat de afwezigheid van duurzaam benutbare mogelijkheden geen wijziging aanbrengt in het wangedrag, de toerekenbaarheid daarvan of in de evenredigheid tussen de ernst van het wangedrag en het verleende ontslag. Voor zover appellant meent dat de diagnose bipolaire stoornis type II, op basis waarvan het Uwv tot deze conclusie is gekomen, aanleiding zou moeten zijn om terug te komen van het ontslag dan wel de ontslaggrond om te zetten, geldt dat deze diagnose al in 2010 is gesteld, zodat het verzoek onredelijk laat is ingediend. Bovendien is deze vraag reeds eerder tussen partijen aan de orde geweest wat heeft geresulteerd in een rapport van de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG) waarin wordt geconcludeerd dat niet is gebleken van onzorgvuldig handelen ten aanzien van de geschiktheidsverklaring van appellant in 2005 en de behandeling van de initiële klachten in 2006. Voorts blijkt uit het rapport dat aan de forensisch psychiater de vraag is voorgelegd of de diagnose van bipolaire stoornis type II zou moeten leiden tot heroverweging van het strafontslag of omzetting van de ontslaggrond, welke vraag door hem negatief is beantwoord. Ten aanzien van de stelling dat de minister in het bestreden besluit erkent dat appellant ten tijde van het voorval niet operationeel mocht worden ingezet en dus geen vuurwapen mocht dragen, overweegt de rechtbank dat de uitkomst van het geneeskundig onderzoek in september 2008 luidt: tijdelijke psychische beperkingen, geen geestelijk stresserende werkzaamheden, tijdelijk ongeschikt voor operationele inzet, uitsluitend passende werkzaamheden in het kader van de re-integratie. De rechtbank leest hierin, anders dan appellant, geen erkenning dat hij geen vuurwapen mocht dragen. Uit het IMG rapport volgt verder dat de vraag of appellant ten tijde van het voorval een wapen mocht dragen en wat passende werkzaamheden waren, werd overgelaten aan de bedrijfsarts/onderdeelsarts, die appellant, met ondersteunende medicatie, inmiddels weer inzetbaar achtte op zijn eigen functie. Volgens de inspecteur van de IMG kan dit niet strijdig worden geacht met de op dat moment door appellant zelf aangegeven klachten, noch met de medische informatie, waaruit bleek van een psychische aandoening in (gedeeltelijke) remissie. Tot slot heeft de rechtbank nog overwogen dat niet kan worden geoordeeld dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
3. Met het hoger beroep wil appellant bereiken dat de grond van zijn ontslag wordt gewijzigd van wangedrag in blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de dienst vanwege een ziekte of een gebrek.
4. De Raad oordeelt als volgt.