Uitspraak
10 augustus 2018, 18/897 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Werkneemster was van september 2015 tot januari 2016 werkzaam als agrarisch medewerker en viel in december 2015 uit wegens oogklachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering met verkorte wachttijd toe te kennen omdat zij niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank vernietigde dit besluit en wees een IVA-uitkering toe met ingang van 19 juni 2017.
Het UWV stelde in hoger beroep dat herstel niet was uitgesloten en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit voldoende had gemotiveerd. De werkgever steunde de uitspraak van de rechtbank. De Raad toetste de medische informatie en concludeerde dat het UWV onvoldoende concreet had onderbouwd dat herstel van het rechteroog mogelijk was en dat dit herstel de arbeidsmogelijkheden zou verbeteren.
De Raad benadrukte dat de verzekeringsarts de behandelend oogarts had moeten raadplegen voor nadere informatie en dat het ontbreken daarvan het besluit onvoldoende motiveerde. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank dat werkneemster per 19 juni 2017 recht had op een IVA-uitkering wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
De Raad wees het hoger beroep van het UWV af en bevestigde de eerdere uitspraak, zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd dat werkneemster per 19 juni 2017 recht had op een IVA-uitkering.