ECLI:NL:CRVB:2021:3205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkeringen na medisch en arbeidskundig onderzoek bevestigd
Appellante was werkzaam als medewerker lunchroom en meldde zich ziek na een verkeersongeval. Het dienstverband eindigde in januari 2017 waarna zij ziekengeld ontving. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waarna de ZW-uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar en stelde dat het medisch onderzoek onjuist was, onderbouwd met een contra-expertise.
De rechtbanken verklaarden het bezwaar ongegrond, oordelend dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld. In hoger beroep betoogde appellante dat de rechtbank ten onrechte geen onafhankelijk deskundige had benoemd en dat de geselecteerde functies niet overeenkwamen met haar belastbaarheid.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbanken en oordeelde dat het medisch oordeel van het UWV voldoende was gemotiveerd en niet werd weersproken door de contra-expertise. De Raad bevestigde dat appellante geen recht meer had op ziekengeld vanaf de vastgestelde data. Tevens werd een schadevergoeding van €500 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkeringen en veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.