ECLI:NL:CRVB:2021:3207
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit bevestigd
Appellant had bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van zijn Ziektewetuitkering per 16 december 2019, omdat hij volgens het UWV meer dan 65% van zijn oorspronkelijke loon kon verdienen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat zijn kniebeperkingen onvoldoende zorgvuldig waren onderzocht en onderschat werden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de rechtbank de gronden van appellant afdoende en terecht had gemotiveerd. De verzekeringsarts had appellant niet op spreekuur gezien, maar dit maakte het onderzoek niet onzorgvuldig.
De Raad vond dat de verzekeringsarts overtuigend had toegelicht waarom de belastbaarheid was aangepast en dat appellant in staat werd geacht de geselecteerde functies te vervullen, mede gezien zijn eerdere werkervaring. Appellant bracht geen nieuwe medische gegevens aan die de conclusies konden ondermijnen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit.