ECLI:NL:CRVB:2021:3215
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering gegrond op voldoende medische en arbeidskundige gronden
Appellante was commercieel medewerker binnendienst en meldde zich ziek met nek- en schouderklachten. Na een eerstejaars Ziektewetbeoordeling beëindigde het UWV haar ZW-uitkering omdat zij meer dan 65% van haar oude loon kon verdienen in andere functies. Appellante werd niet geschikt geacht voor haar oude functie, maar wel voor andere lichte functies.
Na een nieuwe ziekmelding en medisch onderzoek beëindigde het UWV opnieuw haar ZW-uitkering. Appellante maakte bezwaar en stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen groter waren dan vastgesteld, onderbouwd met rapporten van een manueel therapeut en een bedrijfsarts. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de medische conclusies juist waren.
In hoger beroep betwistte appellante dit oordeel, maar de Centrale Raad van Beroep vond geen aanleiding om aan de medische beoordeling te twijfelen. De Raad concludeerde dat de beperkingen en geschiktheid voor werk adequaat waren vastgesteld en dat het verzoek om een onafhankelijke deskundige niet gerechtvaardigd was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering van appellante terecht is beëindigd.