ECLI:NL:CRVB:2021:3234
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening mate arbeidsongeschiktheid en resterende verdiencapaciteit WIA-uitkering
Appellant, voormalig postsorteerder, ontving een WIA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 54,92%. Na bezwaar en beroep stelde een verzekeringsarts beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en wees het beroep af.
In hoger beroep betoogde appellant dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende rekening hield met zijn psychische klachten en slaapproblemen. De Raad concludeerde dat het onderzoek zorgvuldig was, maar dat de medische grondslag voor de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid onvoldoende was. De verzekeringsarts had in zijn rapport van november 2018 een belastbaarheid van maximaal 20 uur per week vastgesteld, terwijl eerder sprake was van 24 uur.
De Raad stelde zelf vast dat de mate van arbeidsongeschiktheid 64,41% bedraagt met een resterende verdiencapaciteit van €971,70. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv veroordeeld in de proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op 64,41% met een resterende verdiencapaciteit van €971,70 per maand.