ECLI:NL:CRVB:2021:324
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit zorgkantoor wegens ontbreken opgelegde pgb-verplichtingen
Betrokkene, een persoon met dementie, kreeg een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor zorg onder de Wet langdurige zorg. Een zorgovereenkomst met haar echtgenoot, die als zorgverlener fungeerde, vermeldde dat deze 168 uur per week zorg verleende, wat het zorgkantoor niet toestond omdat volgens artikel 5.18d van de Regeling langdurige zorg (Rlz) een zorgverlener niet meer dan 40 uur per week mag werken.
Het zorgkantoor onthield goedkeuring aan de zorgovereenkomst en verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat betrokkene niet aan de pgb-verplichtingen had voldaan. De rechtbank bevestigde dit besluit, maar in hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat in de verleningsbeschikking van het pgb geen verplichtingen uit artikel 5.18 Rlz waren opgenomen, waaronder de beperking van 40 uur per week.
Daarom kon het besluit van het zorgkantoor niet standhouden. Bovendien was het zorgkantoor niet op de zitting verschenen, wat de Raad interpreteerde als het ontbreken van zorginhoudelijke bezwaren tegen de zorgovereenkomst. De Raad vernietigde het bestreden besluit en het eerdere besluit van het zorgkantoor, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde het zorgkantoor in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het zorgkantoor wordt vernietigd, waardoor de zorgovereenkomst als goedgekeurd moet worden beschouwd.