ECLI:NL:CRVB:2021:3263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens niet volgemaakte wachttijd
Appellant, werkzaam als algemeen medewerker in WSW-verband, vroeg een WIA-uitkering aan na langdurige ziekte. Het UWV weigerde deze uitkering omdat appellant de wettelijke wachttijd van 104 weken niet had voltooid. De rechtbank vernietigde het besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn medische beperkingen zwaarder waren dan door het UWV aangenomen, onderbouwd met neuropsychologisch en medisch advies. De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die concludeerde dat appellant geschikt was voor zijn werk vanaf 11 september 2017. De Raad volgde dit oordeel omdat het goed gemotiveerd en overtuigend was.
De Raad oordeelde dat appellant de wachttijd niet had voltooid en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure met bijna twee maanden was overschreden, wat geheel aan de rechterlijke fase toe te rekenen was. De Staat werd veroordeeld tot een schadevergoeding van €500 en de proceskosten van €374 aan appellant. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op WIA-uitkering omdat hij de wachttijd niet heeft voltooid; de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.