ECLI:NL:CRVB:2021:328

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2021
Publicatiedatum
17 februari 2021
Zaaknummer
19/1271 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek tot eerdere verhoging WAO-uitkering wegens geen nieuw gebleken feiten

Appellant ontving sinds 1999 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25-35%. Na herbeoordelingen bleef dit percentage ongewijzigd totdat in 2006 een verzekeringsarts appellant volledig arbeidsongeschikt achtte met ingang van 1 juni 2006. Het UWV weigerde toen de uitkering te verhogen omdat de toename van arbeidsongeschiktheid niet binnen vijf jaar na 1999 was opgetreden. Appellant stelde dat hij al in 2004 een toename van zijn klachten had gemeld en dat deze informatie onvoldoende was meegewogen.

In 2017 verzocht appellant opnieuw om herbeoordeling, waarna het UWV de uitkering met terugwerkende kracht vanaf 29 mei 2008 verhoogde. Het bezwaar van appellant om de verhoging eerder in te laten gaan werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees erop dat appellant geen nieuwe medische gegevens had aangevoerd die het eerdere besluit konden wijzigen. Ook werden door appellant ingebrachte stukken uit 2002 niet toegelaten wegens te late indiening.

In hoger beroep stelde appellant dat de informatie uit 2002 wel als nieuw bewijs moest worden beschouwd en dat hij destijds door medische omstandigheden niet in beroep kon komen. De Centrale Raad oordeelde dat de verzekeringsarts in 2006 al op de hoogte was van deze informatie en dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren. Het verzoek tot eerdere verhoging van de WAO-uitkering werd daarom terecht afgewezen en het bestreden besluit was niet evident onredelijk. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees de proceskosten af.

Uitkomst: Het verzoek tot eerdere verhoging van de WAO-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

19.1271 WAO

Datum uitspraak: 17 februari 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
7 december 2019, 18/1322 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. dr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. dr. Faber. Het Uwv heeft zich per videoverbinding laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is met ingang van 4 oktober 1999 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Na herbeoordeling is de WAO-uitkering bij besluit van 16 augustus 2000 ongewijzigd voortgezet. De naar aanleiding van zijn ziekmelding per 23 november 2000 verstrekte uitkering op grond van de Ziektewet is per 1 mei 2001 beëindigd omdat appellant weer geschikt was voor de in het kader van de WAO geduide functies. Op 21 mei 2004 heeft appellant op een formulier Herbeoordeling WAO/WAZ/Wajong gemeld dat zijn klachten zijn toegenomen en zijn gezondheid is verslechterd. Bij brief van 8 september 2004 heeft het Uwv aan appellant gemeld dat door wijziging van de wettelijke regels over herbeoordeling hij in de periode tussen 1 oktober 2004 en 1 april 2007 opnieuw wordt beoordeeld. In 2006 is appellant herbeoordeeld. In dat kader is appellant op 28 juli 2006 op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts. In verband met door de specialist vastgestelde ernstige afwijkingen op grond waarvan een grote operatieve ingreep zal volgen met een verwachte herstelperiode van een jaar, heeft de verzekeringsarts appellant met ingang van 1 juni 2006 volledig arbeidsongeschikt geacht. Omdat de toename van arbeidsongeschiktheid niet binnen vijf jaar na 4 oktober 1999 heeft plaatsgevonden heeft het Uwv bij besluit van 23 oktober 2006 de WAO-uitkering van appellant niet herzien. In bezwaar tegen dat besluit heeft appellant aangevoerd dat hij in 2004 al toename van zijn arbeidsongeschiktheid heeft gemeld. Bij besluit van 30 mei 2007 heeft het Uwv, na advies van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dat besluit geen beroep ingesteld.
1.2.
Op 8 februari 2017 heeft appellant het Uwv verzocht zijn mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen. Na medische beoordeling heeft het Uwv bij besluit van 28 juni 2017 de WAO-uitkering van appellant herzien en deze met ingang van 29 mei 2008 alsnog berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Aan appellant is over de periode vanaf 29 mei 2008 tot 30 juni 2017 een nabetaling gedaan. Het bezwaar van appellant, dat ten onrechte niet alsnog een verhoogde uitkering is toegekend met ingang van zijn melding in 2004 heeft het Uwv bij besluit van 28 maart 2018 (bestreden besluit), onder toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 maart 2018 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant wenst dat het Uwv terugkomt van het besluit van 28 juli 2006, waarbij is vastgesteld dat appellant met ingang van 1 juni 2006 volledig arbeidsongeschikt is. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant zijn standpunt dat hij al in 2004 volledig arbeidsongeschikt was niet met nieuwe medische gegevens heeft onderbouwd en heeft het Uwv gevolgd in het standpunt dat geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden zijn waarmee de verzekeringsarts destijds niet bekend was. De door appellant ter zitting ingebrachte stukken uit 2002 zijn door de rechtbank buiten beoordeling gelaten omdat deze stukken te laat, namelijk niet uiterlijk in de bezwaarfase, zijn overgelegd. De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellant destijds geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 30 mei 2007 en dat hij niet heeft onderbouwd daartoe wegens medische redenen tijdens de beroepstermijn niet in staat te zijn geweest. De rechtbank heeft geoordeeld dat wat appellant heeft aangevoerd evenmin reden vormt dat het bestreden besluit evident onredelijk zou zijn. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellant destijds in het bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2006 ook heeft betoogd dat hij al vanaf 2004 volledig arbeidsongeschikt was, welk standpunt destijds op grond van de medische informatie en onderzoeksbevindingen niet is gevolgd.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant vermeld in 2007 niet in beroep te zijn gekomen wegens een hartaanval en verhuizing. Hij stelt zich op het standpunt dat destijds ten onrechte in 2006 niet de door hem in 2004 gemelde toename van arbeidsongeschiktheid is beoordeeld en dat de ingebrachte informatie uit 2002 wel als novum heeft te gelden. Het bestreden besluit is evident onredelijk omdat de informatie voorafgaand aan 2006 niet is meegewogen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Primair heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat geen reden is terug te komen van het besluit van 3 oktober 2006. Voorts heeft het Uwv, met verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 22 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:912 en van 18 oktober 2018, ECLI:N:CRVB:2018:3218, zich beroepen op verjaring in de zin dat volgens vaste rechtspraak financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaar niet meer in rechte afdwingbaar zijn.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De melding van appellant van 8 februari 2017 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 3 oktober 2006 in die zin dat zijn WAO-uitkering wordt verhoogd vanaf zijn melding van toename van zijn klachten in 2004. Het Uwv heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115). Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat hij zich in de periode van 2002 tot 2006 met toegenomen klachten heeft gemeld. Hij verwijst voorts naar de door hem ingezonden informatie, waaronder de brieven van zijn behandelaar van het LUMC van 7 juni 2002 en 21 juni 2006, waaruit die klachten blijken en die ten onrechte niet bij de beoordeling destijds zijn betrokken.
4.3.
Geoordeeld wordt dat wat appellant heeft aangevoerd en heeft ingezonden geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 28 juli 2006 blijkt dat deze arts op de hoogte was van de informatie uit 2002. Bevindingen zoals in de brief van 7 juni 2002 vermeld, zijn in gelijke bewoordingen weergegeven in het rapport van 28 juli 2006. Bij de beoordeling van zijn bezwaar tegen het besluit van 23 oktober 2006 is melding gemaakt van de informatie van zijn behandelaar van 21 juni 2006, zoals blijkt uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 mei 2007. Hieruit blijkt dat destijds bij de vaststelling van de datum 1 juni 2006 als datum waarop appellant toegenomen arbeidsongeschikt werd geacht, de door appellant in deze procedure genoemde brieven reeds waren betrokken. Er zijn geen andere gegevens bekend geworden die als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aan te merken.
Het Uwv mocht bij het bestreden besluit het verzoek van appellant om de arbeidsongeschiktheidsuitkering eerder te verhogen dan per 29 mei 2008 dan ook afwijzen en het bezwaar ongegrond verklaren met verwijzing naar zijn besluiten van 23 oktober 2006 en 30 mei 2007.
4.4.
In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is. Ook de in hoger beroep door appellant ingezonden informatie geeft daarvoor geen aanknopingspunten. Het hoger beroep slaagt reeds op deze grond niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van
A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2021.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) A.L. Abdoellakhan