ECLI:NL:CRVB:2021:328
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot eerdere verhoging WAO-uitkering wegens geen nieuw gebleken feiten
Appellant ontving sinds 1999 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25-35%. Na herbeoordelingen bleef dit percentage ongewijzigd totdat in 2006 een verzekeringsarts appellant volledig arbeidsongeschikt achtte met ingang van 1 juni 2006. Het UWV weigerde toen de uitkering te verhogen omdat de toename van arbeidsongeschiktheid niet binnen vijf jaar na 1999 was opgetreden. Appellant stelde dat hij al in 2004 een toename van zijn klachten had gemeld en dat deze informatie onvoldoende was meegewogen.
In 2017 verzocht appellant opnieuw om herbeoordeling, waarna het UWV de uitkering met terugwerkende kracht vanaf 29 mei 2008 verhoogde. Het bezwaar van appellant om de verhoging eerder in te laten gaan werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees erop dat appellant geen nieuwe medische gegevens had aangevoerd die het eerdere besluit konden wijzigen. Ook werden door appellant ingebrachte stukken uit 2002 niet toegelaten wegens te late indiening.
In hoger beroep stelde appellant dat de informatie uit 2002 wel als nieuw bewijs moest worden beschouwd en dat hij destijds door medische omstandigheden niet in beroep kon komen. De Centrale Raad oordeelde dat de verzekeringsarts in 2006 al op de hoogte was van deze informatie en dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren. Het verzoek tot eerdere verhoging van de WAO-uitkering werd daarom terecht afgewezen en het bestreden besluit was niet evident onredelijk. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees de proceskosten af.
Uitkomst: Het verzoek tot eerdere verhoging van de WAO-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.