ECLI:NL:CRVB:2021:329
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning toeslag vanaf 1 april 2018 op grond van polisadministratie
Appellante was vanaf 15 juli 2017 in dienst bij een werkgever en meldde zich ziek op 24 december 2017. Zij trad op 14 februari 2018 ziek uit dienst en ontving vanaf 15 februari 2018 ziekengeld van haar werkgever die eigenrisicodrager was voor de Ziektewet. Appellante vroeg op 8 maart 2018 een toeslag aan op grond van de Toeslagenwet, die aanvankelijk per 24 december 2017 werd afgewezen omdat er geen sprake zou zijn van een salarisverlaging door ziekte.
Na bezwaar werd de toeslag alsnog toegekend vanaf 1 april 2018, omdat uit de polisadministratie bleek dat appellante vanaf die datum alleen een ZW-uitkering ontving die lager was dan het normbedrag. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat het UWV mocht uitgaan van de polisadministratie tenzij onjuistheid werd aangetoond, wat appellante niet deed.
In hoger beroep stelde appellante dat zij vanaf 15 februari 2018 recht had op toeslag, omdat zij toen geen dienstbetrekking meer had en alleen ziekengeld ontving. Het UWV verwees naar artikel 4:1, derde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB), dat bepaalt dat loon wordt toegerekend aan het aangiftetijdvak waarin het is opgegeven.
De Raad oordeelde dat het UWV de polisadministratie terecht heeft gevolgd en dat de loonbetalingen in februari en maart 2018, ook als eindafrekening, als loon in die maanden worden beschouwd. De toepassing van artikel 4:1, elfde lid, AIB tot een ander inkomen werd verworpen omdat het nadeel voor appellante niet tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De toeslag wordt terecht toegekend vanaf 1 april 2018 en niet eerder.