ECLI:NL:CRVB:2021:3292
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als jobcoach en groepsbegeleider, meldde zich ziek met schouderklachten na een bedrijfsongeval. Het UWV stelde op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ook al was appellant niet door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zelf onderzocht. In hoger beroep betoogde appellant dat een medisch adviseur een urenbeperking adviseerde vanwege pijn en verstoorde nachtrust, maar de Raad onderschreef het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen medische grond was voor een urenbeperking.
De Raad concludeerde dat de FML van 19 mei 2019 juist was vastgesteld en dat de geselecteerde voorbeeldfuncties passend waren, ondanks de door appellant aangevoerde klachten over omgang met conflicten. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.