ECLI:NL:CRVB:2021:3293
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering na medische herbeoordeling
Appellant, die sinds oktober 2014 arbeidsongeschikt is, ontving een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 53,32%. Na een melding van verslechtering in 2018 vond een herbeoordeling plaats waarbij de beperkingen werden vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van februari 2019. Het UWV handhaafde de uitkering zonder wijziging, waarna appellant bezwaar maakte.
Na aanvullend medisch en arbeidsdeskundig onderzoek stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 50,09% en wijzigde het besluit dienovereenkomstig. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen adequaat waren beoordeeld, inclusief de rugklachten en psychische aandoeningen zoals PTSS.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, met name over de diagnose PTSS en de rugklachten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze gronden reeds gemotiveerd zijn besproken door de rechtbank en dat er geen nieuwe medische gegevens zijn die aanleiding geven het eerdere oordeel te wijzigen. De medische rapporten en de arbeidsdeskundige rapportage ondersteunen het standpunt dat de beperkingen juist zijn vastgesteld en dat appellant geschikt is voor de geselecteerde functies.
De Raad concludeert dat het hoger beroep faalt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV wordt bevestigd dat appellant 50,09% arbeidsongeschikt is.