ECLI:NL:CRVB:2021:330
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 72,47% ingevolge Wet WIA
Appellant, laatstelijk werkzaam als timmerman/glaszetter, meldde zich op 1 september 2015 ziek en ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid vast van circa 44%, welke later werd herzien naar 72,47% op basis van een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze vaststelling ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig onderzoek had verricht en dat de medische beoordeling juist was.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen over ernstiger beperkingen, ondersteund door verklaringen van zijn fysiotherapeut en een chirurg, en verzocht om een deskundigenonderzoek. Het UWV verwees naar eerdere medische rapporten en benadrukte dat de geduide functies medisch geschikt zijn. De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat de rechtbank de beroepsgronden terecht had beoordeeld, dat de medische en arbeidskundige motivering voldoende inzichtelijk en begrijpelijk was, en dat er geen aanleiding was voor een aanvullend medisch onderzoek.
De Raad bevestigde de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage van 72,47% met ingang van 12 december 2017 en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor toewijzing van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door J.S. van der Kolk, in aanwezigheid van griffier A.L. Abdoellakhan.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 72,47% arbeidsongeschiktheid met ingang van 12 december 2017 en verklaart het hoger beroep ongegrond.