ECLI:NL:CRVB:2021:3301
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd wegens appelverbod bij griffierechtgeschil
Appellante stelde beroep in tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op haar verzoek om een dwangsom. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling van het griffierecht. Appellante maakte bezwaar dat haar gemachtigde geen aangetekende brief met de factuur had ontvangen. De rechtbank verwierp dit verzet op grond van bewijs dat de brief was opgehaald en getekend.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar gemachtigde niet beschikte over de factuur en dat hierdoor haar toegang tot de rechter werd belemmerd, in strijd met artikel 6 EVRM Pro. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de aangevallen uitspraak een uitspraak is als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, Awb, waartegen geen hoger beroep mogelijk is, tenzij sprake is van ernstige schending van fundamentele rechtsbeginselen.
De Raad vond geen grond voor een dergelijke ernstige schending en verklaarde zich daarom onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd wegens appelverbod en wijst het hoger beroep af.