Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet, maar deze aanvraag werd afgewezen omdat zijn vermogen (€8.704) de vermogensgrens (€6.120) overschreed. De waarde van een auto die op zijn naam stond, werd als onderdeel van zijn vermogen beschouwd. Appellant stelde dat de auto niet van hem was, maar van een vriendin, en dat de tenaamstelling een vriendendienst betrof zonder financiële vergoeding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad stelde dat het kentekenbewijs op naam van appellant de redelijke vooronderstelling schept dat de auto tot zijn vermogen behoort, tenzij hij het tegendeel aannemelijk maakt. Appellant slaagde hier niet in omdat hij zijn stelling niet met bewijs ondersteunde en de vermeende eigenaresse niet meewerkte.
De Raad oordeelde dat het risico van het ontbreken van bewijs en medewerking bij appellant ligt en dat het college geen aanvullende onderzoeksplicht had. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd zonder proceskostenveroordeling.