Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2021:3322

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2021
Publicatiedatum
3 januari 2022
Zaaknummer
20/2311 BABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:3 AwbArt. 5 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag gehandicaptenparkeerkaart type bestuurder bevestigd

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerkaart type bestuurder, welke door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag is afgewezen. Deze afwijzing is gebaseerd op medische adviezen van de adviserend geneeskundige, die een uitgebreid onderzoek heeft verricht en concludeerde dat appellant niet beperkt is tot het lopen van 100 meter aan één stuk en geen andere beperkingen heeft die een parkeerkaart rechtvaardigen.

De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond en oordeelde dat er geen reden was om te twijfelen aan de bevoegdheid van de geneeskundige of de juistheid van haar medische beoordeling. Appellant voerde aan dat het advies onzorgvuldig was en dat er sprake was van een belangenverstrengeling, maar deze bezwaren werden verworpen.

In hoger beroep heeft appellant dezelfde gronden herhaald zonder nieuwe feiten of argumenten aan te dragen. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en bevestigt de afwijzing van de aanvraag. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart type bestuurder wordt bevestigd.

Uitspraak

20.2311 BABW

Datum uitspraak: 30 december 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2020, 19/3724 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. Z. Benguedda, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Benguedda. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Khougiani.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Het college heeft bij besluit van 27 september 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 mei 2019 (bestreden besluit), de aanvraag van appellant voor een gehandicaptenparkeerkaart type bestuurder afgewezen. Het college heeft zich hierbij gebaseerd op de medische adviezen van adviserend geneeskundige A. Martinez, werkzaam bij de Geneeskundige Gezondheidsdienst Haaglanden (GGD), van 4 september 2018 en 15 januari 2019. Martinez heeft een oriënterend psychisch, een lichamelijk en een bewegingsonderzoek verricht en zij heeft het dossier, alsmede de ontvangen medische informatie van de huisarts, orthopedisch chirurg, uroloog, oogarts en radioloog bestudeerd. Tevens heeft intercollegiale toetsing plaatsgevonden. Martinez heeft op basis van deze informatie geconcludeerd dat appellant niet beperkt is tot het lopen van 100 meter aan één stuk en dat ook niet is gebleken van andere beperkingen dan loopbeperkingen die dichtbij parkeren noodzakelijk maken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat geen grond bestaat om te twijfelen aan de bevoegdheid van Martinez. Het betoog dat haar advies niet gevolgd kan worden, omdat zij zowel primair als in bezwaar als adviseur is opgetreden, slaagt niet. Van schending van artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is geen sprake, omdat Martinez niet degene is die de besluiten heeft genomen. Het betoog van appellant dat de medische adviezen zijn gebaseerd op onzorgvuldig onderzoek, slaagt evenmin. De adviezen zijn concludent en bevatten geen onjuiste feiten. Appellant heeft geen medische informatie in het geding gebracht die doet twijfelen aan de medische beoordeling. Het college mocht zich daarom op de medische adviezen baseren. Dat dit tot een schending van de artikelen 5 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zou leiden, is door appellant niet onderbouwd en de rechtbank ziet daar ook geen grond voor.
3. In hoger beroep heeft appellant de in beroep aangevoerde gronden grotendeels herhaald.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellant heeft zich beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden.
4.2.
De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
4.3.
De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne. De Raad voegt daar nog aan toe dat wat appellant ter zitting in zijn algemeenheid over het parkeerbeleid in Den Haag heeft aangevoerd niet tot een ander oordeel leidt.
4.4.
Uit wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé, in tegenwoordigheid van E.J. van der Veldt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2021.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) E.J. van der Veldt