Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2021:3323

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2021
Publicatiedatum
3 januari 2022
Zaaknummer
19/3153 BABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag individuele gehandicaptenparkeerplaats voor passagier bevestigd

Appellant, inwoner van een woonplaats, diende op 14 maart 2018 een aanvraag in voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats voor een passagier bij zijn woning. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees deze aanvraag op 10 april 2018 af, omdat appellant beschikte over een hulpmiddel om de afstand tussen woning en voertuig te overbruggen en een eigen parkeerplaats op eigen terrein had.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college de aanvraag terecht had afgewezen. De rechtbank vond dat appellant via de achtertuin en een zijweggetje zijn parkeerplaats kon bereiken en dat er geen medische omstandigheden waren die afwijking van het beleid rechtvaardigden.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het moeilijk was om met de rolstoel door de tuindeur te komen en dat het aanpassen van de tuindeur kostbaar was. Ook stelde hij dat het parkeren van de auto door zijn verzorgster voor de woning tot gevaarlijke situaties zou leiden. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en stelde dat er alternatieve toegangen zijn die niet onmogelijk zijn voor appellant.

De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De aanvraag voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats voor een passagier bij de woning is terecht afgewezen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

19.3153 BABW

Datum uitspraak: 30 december 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 mei 2019, 18/6851 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. Ö. Sahin, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sahin en [naam]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Imazouine.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant woont aan [adres] te [woonplaats] en is in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart passagier. Hij heeft op 14 maart 2018 een aanvraag gedaan voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats (voor een passagier) bij zijn woning.
1.2.
Bij besluit van 10 april 2018, gehandhaafd bij besluit van 26 september 2018 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de beschikking heeft over een hulpmiddel, waarmee hij de afstand tussen zijn woonhuis en zijn voertuig kan overbruggen, en over een parkeergelegenheid op eigen terrein. Hierdoor wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een gehandicaptenparkeerplaats voor een passagier.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Kort samengevat heeft de rechtbank overwogen dat het college de gevraagde gehandicaptenparkeerplaats op goede gronden heeft afgewezen. Appellant beschikt over een eigen parkeerplaats gelegen aan zijn achtertuin. Deze parkeerplaats kan appellant met de rolstoel bereiken via de achtertuin, via de voordeur en via zijweggetje naar de achterkant. Van medische omstandigheden van appellant die aanleiding hadden moeten zijn om van het beleid af te wijken is de rechtbank onvoldoende gebleken.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het moeilijk is om hem in zijn rolstoel door de tuindeur te duwen en dat het aanpassen van de tuindeur niet eenvoudig is en kosten meebrengt. Het is ook geen oplossing dat zijn verzorgster de auto voor het huis rijdt en appellant helpt bij het in en uit de auto komen. Dit zou leiden tot een illegale en gevaarlijke situatie doordat zijn verzorgster de auto dan dubbel moet parkeren.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de gronden van beroep en onderschrijft de hiervoor onder 2 weergegeven overwegingen waarop dat oordeel berust. In wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen reden gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. De Raad voegt hieraan toe dat voor zover het voor appellant moeilijk is om met de rolstoel via de achtertuin de eigen parkeerplaats te bereiken er alternatieven zijn via de hoofdingang en het zijweggetje naar de achterkant. Niet is gebleken dat dit voor hem onmogelijk is.
4.2.
Uit wat onder 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé, in tegenwoordigheid van E.J. van der Veldt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2021.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) E.J. van der Veldt