ECLI:NL:CRVB:2021:3323
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag individuele gehandicaptenparkeerplaats voor passagier bevestigd
Appellant, inwoner van een woonplaats, diende op 14 maart 2018 een aanvraag in voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats voor een passagier bij zijn woning. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees deze aanvraag op 10 april 2018 af, omdat appellant beschikte over een hulpmiddel om de afstand tussen woning en voertuig te overbruggen en een eigen parkeerplaats op eigen terrein had.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college de aanvraag terecht had afgewezen. De rechtbank vond dat appellant via de achtertuin en een zijweggetje zijn parkeerplaats kon bereiken en dat er geen medische omstandigheden waren die afwijking van het beleid rechtvaardigden.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het moeilijk was om met de rolstoel door de tuindeur te komen en dat het aanpassen van de tuindeur kostbaar was. Ook stelde hij dat het parkeren van de auto door zijn verzorgster voor de woning tot gevaarlijke situaties zou leiden. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en stelde dat er alternatieve toegangen zijn die niet onmogelijk zijn voor appellant.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats voor een passagier bij de woning is terecht afgewezen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.