ECLI:NL:CRVB:2021:333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toename medische beperkingen
Appellante, die zich in 2012 ziek meldde met lichamelijke en psychische klachten, kreeg aanvankelijk geen WIA-uitkering toegekend omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. In 2017 meldde zij zich opnieuw met vermeende toegenomen klachten, maar het UWV weigerde opnieuw een WIA-uitkering toe te kennen, stellende dat er geen toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak was.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische informatie geen objectiveerbare verslechtering van haar klachten toonde. In hoger beroep stelde appellante dat haar klachten, waaronder pijn en psychische problemen, waren toegenomen en dat haar huisarts dit bevestigde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de verzekeringsarts het medisch dossier zorgvuldig had beoordeeld en dat de verklaring van de huisarts uit 2020 geen andere medische situatie aantoonde.
De Raad concludeerde dat er geen sprake was van een toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak zoals bedoeld in artikel 55 van Pro de Wet WIA, waardoor een beoordeling van arbeidskundige aspecten niet aan de orde was. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen recht bestaat op WIA-uitkering wegens het ontbreken van toename van medische beperkingen.