ECLI:NL:CRVB:2021:3331
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als callcentermedewerkster, meldde zich ziek in verband met zwangerschap en ontving achtereenvolgens Ziektewet- en WAZO-uitkeringen. Na afloop van de wachttijd van 104 weken vroeg zij een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij alle relevante medische stukken en klachten waren betrokken. Appellante stelde in hoger beroep dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen onjuist waren vastgesteld, onder meer omdat de aanvraag te vroeg zou zijn ingediend.
De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en overwoog dat de wachttijd correct was berekend, dat het UWV ook medische informatie na de aanvraagdatum had betrokken en dat de functionele mogelijkheden van appellante juist waren vastgesteld. De Raad concludeerde dat appellante terecht minder dan 35% arbeidsongeschikt was verklaard en bevestigde de weigering van de WIA-uitkering.
De Raad wees de stellingen van appellante af dat zij zwaardere beperkingen had dan vastgesteld, omdat deze niet met medische stukken waren onderbouwd. Ook was het aan appellante om een melding te doen bij verslechtering van haar gezondheid na de peildatum. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.