Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2021:3331

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 december 2021
Publicatiedatum
3 januari 2022
Zaaknummer
20/1315 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIAArt. 23 Wet WIAArt. 64 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, werkzaam als callcentermedewerkster, meldde zich ziek in verband met zwangerschap en ontving achtereenvolgens Ziektewet- en WAZO-uitkeringen. Na afloop van de wachttijd van 104 weken vroeg zij een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij alle relevante medische stukken en klachten waren betrokken. Appellante stelde in hoger beroep dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen onjuist waren vastgesteld, onder meer omdat de aanvraag te vroeg zou zijn ingediend.

De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en overwoog dat de wachttijd correct was berekend, dat het UWV ook medische informatie na de aanvraagdatum had betrokken en dat de functionele mogelijkheden van appellante juist waren vastgesteld. De Raad concludeerde dat appellante terecht minder dan 35% arbeidsongeschikt was verklaard en bevestigde de weigering van de WIA-uitkering.

De Raad wees de stellingen van appellante af dat zij zwaardere beperkingen had dan vastgesteld, omdat deze niet met medische stukken waren onderbouwd. Ook was het aan appellante om een melding te doen bij verslechtering van haar gezondheid na de peildatum. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

20 1315 WIA

Datum uitspraak: 29 december 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2020, 19/3385 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Yoshikawa, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Yoshikawa heeft zich aan de zaak onttrokken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2021. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als callcentermedewerkster via [BV] voor gemiddeld 22,25 uur per week. Op 26 september 2016 heeft zij zich ziekgemeld met klachten als gevolg van haar zwangerschap. Op grond daarvan is aan haar een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Van 13 december 2016 tot en met 10 april 2017 is appellante in aanmerking gekomen voor een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO). Met ingang van 11 april 2017 is de ZW-uitkering van appellante weer voortgezet.
1.2.
In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 november 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens zes functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 0%. Bij besluit van 29 november 2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 22 januari 2019 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellante met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 5 juli 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 juni 2019 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 2 juli 2019 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is geweest. De primaire arts heeft een anamnese, een lichamelijk onderzoek en dossieronderzoek verricht en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook dossierstudie verricht, is bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft de opgevraagde en ingebrachte medische stukken bij de beoordeling betrokken. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende rekening gehouden met de door appellante genoemde klachten en medicatie. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat sprake is geweest van een onvolledig beeld van de medische situatie van appellante ten tijde van de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarnaast in het aanvullend rapport van 5 december 2019 inzichtelijk gemotiveerd waarom de in beroep ingebrachte brieven van neuroloog D.Y.B. Tan en van A. Martinez, adviserend geneeskundige van GGD Haaglanden, niet tot een ander oordeel leiden. De functionele mogelijkheden van appellante zijn dus correct vastgesteld. De rechtbank heeft daarom geen grond gezien voor het oordeel dat de belasting in de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt en heeft ook geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig is geweest en dat haar medische beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Appellante meent dat in de functies die door de arbeidsdeskundige zijn geduid, haar belastbaarheid wordt overschreden.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd aan appellante met ingang van 22 januari 2019 een uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen.
4.3.1.
Het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd, worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.2.
Appellante heeft aangevoerd dat het Uwv haar te vroeg een aanvraag om een WIAuitkering heeft laten indienen, waardoor haar medische situatie te vroeg is beoordeeld. Appellante heeft de WIA-aanvraag op 16 oktober 2018 ondertekend en op 6 november 2018 is zij door een arts van het Uwv op spreekuur gezien. Appellante had recht op een ZW-uitkering tot in april 2019. Volgens appellante zou ze in aanmerking zijn gekomen voor een WIA-uitkering als haar medische situatie pas per april 2019 zou zijn beoordeeld, omdat haar situatie toen slechter was dan in november 2018.
4.3.3.
Appellante wordt hierin niet gevolgd. Het Uwv heeft voldoende toegelicht dat de wachttijd van 104 weken vanaf de eerste ziektedag, zoals bedoeld in artikel 23 van Pro de Wet WIA, eindigde op 22 januari 2019. In het rapport van de primaire arts van 8 november 2018 is vermeld dat appellante vanaf 26 september 2016 in aanmerking kwam voor een ZW-uitkering en dat zij vervolgens vanaf 13 december 2016 tot en met 10 april 2017 in aanmerking kwam voor een WAZO-uitkering. Uit artikel 23, derde lid, van de Wet WIA volgt dat de periode dat een WAZO-uitkering wordt ontvangen, niet meetelt voor het bepalen van de wachttijd. Uitgaande van de perioden waarin appellante een ZW-uitkering heeft ontvangen, heeft appellante dus op 22 januari 2019 de wachttijd voor de Wet WIA doorlopen. Met ingang van die datum kon appellante aanspraak maken op een WIA-uitkering. De vraag of appellante daarna nog een ZW-uitkering heeft ontvangen, is daarbij niet relevant. Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Wet WIA heeft het Uwv daarom terecht appellante in oktober 2018 in kennis gesteld van de mogelijkheid van het doen van een WIA-aanvraag.
4.3.4.
Overwogen wordt verder dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat hij in bezwaar de medische situatie van appellante tot en met 22 januari 2019 bij de beoordeling heeft betrokken. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie van verschillende behandelaars meegenomen, waaronder brieven van arts-assistent chirurgie M. Verwer van 6 maart 2019, van MDL-arts H.G. Vermeulen van 25 maart 2019 en van oogarts L.P. Ramp van 1 april 2019. Ook is bij de beoordeling betrokken dat appellante eind 2018 voor een korte periode opgenomen is geweest in het ziekenhuis. Hieruit blijkt dat het Uwv niet alleen de medische situatie van appellante zoals die was in november 2018 heeft beoordeeld. Voor zover de klachten van appellante na 22 januari 2019 verder zijn toegenomen, ligt het op de weg van appellante om bij het Uwv een melding te doen van verslechtering van haar gezondheid.
4.3.5.
Ook de stelling van appellante dat dezelfde medewerkster van het Uwv in iedere fase van de besluitvorming betrokken was, wordt niet gevolgd. Uit het dossier blijkt dat de medewerkster die het bestreden besluit heeft genomen en bij de hoorzitting in bezwaar aanwezig was, een andere was dan de medewerker die het primaire besluit van 29 november 2018 heeft genomen.
4.3.6.
De rechtbank wordt verder gevolgd in haar oordeel dat de verzekeringsartsen van het Uwv de functionele mogelijkheden van appellante op de datum in geding, 22 januari 2019, juist hebben vastgesteld. In alle rubrieken van de FML zijn beperkingen aangenomen en in bezwaar is nog een extra beperking aangenomen in verband met toiletbezoek. Ten aanzien van de lichamelijke klachten is opgemerkt dat aannemelijk is dat appellante klachten ondervindt door problemen aan haar bekken en door spataderen, waarvoor meerdere fysieke beperkingen zijn aangenomen. Meer of zwaardere beperkingen op dat gebied kunnen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep uit de medische stukken niet worden afgeleid. Op een MRI was geen hernia of grote afwijking van de botten te zien, evenmin is bij onderzoek een ontsteking geconstateerd. Verder is in bezwaar ook rekening gehouden met het prikkelbare darmsyndroom, zoals in de medische stukken omschreven. De oogklachten zijn pas ontstaan na 22 januari 2019. Over de psychische klachten heeft de rechtbank terecht overwogen dat de artsen van het Uwv hebben erkend dat op de datum in geding sprake was van een depressieve episode. Appellante gebruikte daarvoor medicatie en had tweewekelijks gesprekken met een psycholoog. Voor die klachten zijn meerdere beperkingen aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Dat deze beperkingen zijn onderschat, is niet met medische stukken onderbouwd. De stelling van appellante dat zij op de datum in geding meer beperkingen had als gevolg van haar prikkelbaar darmsyndroom, haar bekkeninstabiliteit en haar mentale klachten is niet met medische stukken onderbouwd, zodat hieraan voorbij wordt gegaan.
4.3.7.
Met de beperkingen, zoals die zijn vastgesteld op de datum in geding, is appellante terecht in staat geacht om de functies te verrichten die door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zijn geselecteerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende toegelicht dat de belastbaarheid van appellante in die functies niet wordt overschreden. Vanwege het loon dat appellante in deze functies theoretisch nog kan verdienen, in vergelijking met het loon dat zij verdiende toen zij ziek werd, is zij minder dan 35% arbeidsongeschikt. Hieruit volgt dat het Uwv een WIA-uitkering per 22 januari 2019 terecht heeft geweigerd, omdat appellante op dat moment minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2021.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) G.S.M. van Duinkerken