ECLI:NL:CRVB:2021:340
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken medische eindsituatie
Betrokkene, laatstelijk werkzaam als boekhouder, meldde zich ziek met psychische klachten en een schildklieraandoening. Het UWV beëindigde haar ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en weigerde een WIA-uitkering met verkorte wachttijd wegens het ontbreken van een medische eindsituatie.
In hoger beroep stelde betrokkene dat zij duurzaam arbeidsongeschikt was door psychiatrische klachten en schildklierproblemen, en dat het UWV onvoldoende informatie had ingewonnen bij haar behandelaars. De Raad oordeelde dat er nog behandelingen liepen gericht op herstel en dat er geen sprake was van een stabiele, onomkeerbare situatie.
De medische rapporten toonden aan dat betrokkene medicamenteus werd behandeld en dat verbetering mogelijk was. Het aangeleverde artikel over PTSS was algemeen en niet specifiek op haar situatie van toepassing. De Raad concludeerde dat het UWV terecht had besloten geen WIA-uitkering toe te kennen en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van een WIA-uitkering met verkorte wachttijd wordt bevestigd.