ECLI:NL:CRVB:2019:618
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering met verkorte wachttijd wegens onvoldoende duurzame arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig buschauffeur in Duitsland met een arbeidsverleden in Nederland, vroeg op 4 augustus 2015 een WIA-uitkering met verkorte wachttijd aan. Het UWV wees deze aanvraag op 1 september 2015 af, omdat volgens verzekeringsartsen geen sprake was van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Dit oordeel werd bevestigd bij bezwaar en door de rechtbank Amsterdam.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV ten onrechte had geconcludeerd dat fysiotherapie en pijnbehandeling haar belastbaarheid positief konden beïnvloeden, mede gelet op een medisch rapport waaruit bleek dat herstel zonder risicovolle operatie niet mogelijk was. Ook wees zij op een latere verklaring van de Duitse Rentenversicherung dat zij per 1 november 2014 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV slechts hoeft te beoordelen of sprake is van een stabiele of verslechterende medische situatie. De verzekeringsartsen hadden hun conclusie voldoende gemotiveerd dat op 31 augustus 2015 verbetering van belastbaarheid niet was uitgesloten vanwege actieve ontstekingsverschijnselen en mogelijke positieve effecten van therapieën. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 februari 2019.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om een WIA-uitkering met verkorte wachttijd wordt bevestigd.